Ik hoor waar ik ben

Het is vroeg en koud, ik draai me nog een keer om. Het slaapmatje kraakt, mijn slaapzak draait met me mee. Het geluid van de vogels in het bos rond de verder lege camping zwelt langzaam aan, het tentdoek houdt alleen de regen tegen. Een enkele keer denk ik een ringtone te horen, maar ik heb geen mobiele telefoon bij me. Die vogel is niet de enige die me voor de gek houdt sinds ik met mijn pelgrimstocht begonnen ben. Misschien doe ik dat zelf ook wel, door te denken dat ik mijn dagelijks leven op afstand kan zetten. Een leven waarin ik mezelf een beetje verloren was, in het verdriet dat ik voelde om het verlies van de liefde.

Gisteren ben ik een grens overgegaan. Van het ene op het andere moment lijken mensen me niet meer te begrijpen. Mijn middelbareschoolfrans mag wel wat opgepoetst worden, want ik heb er weinig meer mee gedaan sinds ik het vak na drie jaar kon laten vallen in het voordeel van scheikunde. Of dat in het licht van vandaag een voordeel is betwijfel ik. Met het atoommodel, zuren en basen en reactiesnelheid kan ik nu weinig. Al wordt mijn eigen reactiesnelheid wel eens op de proef gesteld als ik over iets te drukke wegen loop waar vrachtverkeer me achterop komt denderen.

Gelukkig brengt mijn Frans me wel verder dan une baguette, deux croissants en café au lait. Vocabulaire waar de gemiddelde pelgrim prima van kan leven overigens. En met het oplopen van de kilometers probeer ik mezelf steeds een stapje voor te zijn en vertaal ik de zinnen die ik zal gaan zeggen alvast in mijn hoofd: Avez-vous un tampon pour mon carnet de pèlerin? Je cherche un chambre pour la nuit. Je suis pèlerin. Ik ben een pelgrim. Als ik de avond voor Quatorze Juillet aan mag schuiven bij een lokaal dorpsfeest verstaan ze me in ieder geval prima. Al was dat misschien onder invloed van de drankinname bij mijn gesprekspartners.

Te lang leek het alsof ik niks te zeggen had over mijn leven. Een huis, een baan, een studie, die liefde. Ik leefde in de drukte, maar hoorde daar niet. Op een onbewaakt ogenblik sprak ik dan ook de wens uit om op pelgrimstocht te gaan, op het idee gebracht door de ervaringen van een pelgrim die me voorging. ‘Uit vrije wil’, om maar in termen van Jean-Paul Sartre te spreken. Volgens Sartre besta je, maar wordt je daarna pas gevormd door de keuzes die je maakt. Dit is die van mij: ik wilde weer leren luisteren naar mezelf en naar mijn omgeving.

Precies daarom weet ik nog goed hoe verbaasd ik was. In een heuvelachtig en groen landschap dat langzaam ontwaakte uit de mist, met eerst alleen het geluid van mijn eigen voetstappen in het zachte zand. En dan hoor ik het, afscheurend gras? Ik kijk opzij. Achter het houten hek staan een paar koeien te grazen, dat is wat ik hoor. Ik hoor ze eten. Ik hoor koeien eten. Als ze me in de gaten krijgen kijken ze even op, om vervolgens onverstoorbaar verder te gaan. Net als ik, nog maar net van de verbazing bekomen. Naar weer een nieuwe horizon loop ik de stramheid uit mijn benen terwijl ik probeer vrienden te worden met mijn rugzak, in ieder geval voor vandaag.

Er zijn dagen dat ik niet veel meer hoor dan een tractor, het getoeter van het witte autootje van de rijdende bakker en de muziek van de jukebox in mijn eigen hoofd. Het repertoire is niet groot, maar zonder al te kritisch publiek kan hetzelfde plaatje luidkeels grijs gedraaid worden. Even zo vaak is er niks anders dan de wind om mijn hoofd, de regen op mijn capuchon of het gerommel van naderend onweer. En heel af en toe hoor ik een TGV door het graanlandschap razen, vaak achter een heuvel of aarden wal. Dan word ik geconfronteerd met mijn eigen traagheid door een machine die in één uur aflegt waar ik tien dagen over loop. En eigenlijk past die traagheid me wel, al liep ik een beetje hard van stapel.

Want de snelheid van het dagelijks leven achter me laten was ingewikkelder dan ik dacht. Met de dagen liepen ook de kilometers op. Ik heb het wel in de benen, dacht ik. Maar het ging níet, ik kon niet langer. Op een drukke stadscamping met luid spelende kinderen maak ik pas op de plaats en kom ik de eerste andere pelgrim tegen dan mezelf. Met de Vlaming, die ook van huis is komen lopen, heb ik het over tegenslag, aanpassen, tempo en tijd. Het wandelen verplicht me om anders te doen dan ik deed, en zijn advies ‘loop een beetje minder, dan geraakt ge er ook’ neem ik ter harte. Ik heb de man daarna nooit meer gezien, toch geloof ik dat hij er echt was.

Het is lang geleden dat ik in de kerk ben geweest, behalve soms met Kerst. Maar sinds het begin van mijn pelgrimstocht kom ik er meer dan ooit. Niet om het Goddelijke te kunnen ontvangen, maar om een stempel te halen en om mezelf te kunnen horen in de stilte die daarvoor nodig is. Als ik op een houten stoeltje met krakend rieten zitting vier weken wandelen op me in laat werken is dat niet anders. Waar de mystieke zang van de broeders en zusters de in de basiliek rondkijkende toeristen tot stilte maant, kolken de emoties door mijn lijf. Ik weet niet of ik terug moet kijken of vooruit, het uit moet schreeuwen van geluk of in stilte ondergaan. Dit is hem, mijn weg. Als ik na de dienst door de broeders wordt uitgenodigd om mee te gaan lunchen wordt er niet gesproken, en toch zegt dat alles.

De stilte klinkt me als muziek in de oren. Alleen dan ben ik één met mijn gedachten, zonder afleiding. En stilte is er genoeg in de eindeloosheid van mijn voetreis, verveling misschien ook wel. Het land is groot, de dagen zijn lang. Pas na honderden kilometers ritmisch getik van mijn wandelstokken kom ik de volgende pelgrims tegen. Volgens filosoof Kierkegaard zit juist in die momenten van verveling de mogelijkheid transparanter voor jezelf te worden, om dichter tot jezelf te komen. Met mijn keuze voor het maken van een pelgrimstocht naar een Heilig doel ver weg loop ik dus ook een beetje naar mezelf toe, een minstens zo Heilig doel. Tegelijk schuilt in de stilte ook mijn existentiële angst. De angst om alleen gelaten te worden, om niet van betekenis te zijn. De angst om niet het verschil te maken, al was het maar in mijn eigen leven.

Toch maak ik al verschil, met mijn keuze om op pad te gaan, helemaal alleen. Niemand die me aanspoort, die me even helpt als het tegenzit. Geen gezelschap om de stilte mee te vullen, ik ben alleen in gesprek met mezelf. Eén keer in de vijf dagen bel ik naar huis om te laten weten waar ik ben. In ruil voor het geluid van de muntjes die ik in de telefoon werp hoor ik de stem van mijn vader of moeder aan de andere kant. Even een lijntje naar huis uitwerpen, om vervolgens weer alleen verder te gaan.

Langs huizen met meer of minder vriendelijk blaffende honden. Door akkers en door bossen. Met het geruis van de wind door de bladeren of naalden en waar ik vogels hoor waarvan ik de naam niet ken. Maar is dat belangrijk? Luister ik om te weten, of luister ik om te begrijpen?

Wanneer ik de Camino nader is de grens minder scherp. Er staat in de bergen dan wel een hek met een bordje, maar de taal gaat met me mee. Ik loop met twee vrouwen uit Nederland en één uit Finland, onze gesprekken gaan gewoon door. Ik ben blij dat ik eindelijk samen kan lopen en ervaringen mag delen, maar toch ben ik overdonderd. Het is gedaan met de stilte en de rust. Ik ben niet meer de enige die dit doet. Bovenop de berg waait de wind hard en koud, maar in de luwte van het Mariabeeld vinden we bescherming, drinken meegebrachte koffie en eten cakejes met de vorm van een Jacobsschelp.

In mijn eerste echte pelgrimsherberg wordt een taalstrijd gevoerd om eten en een slaapplek. En ook de nacht heeft haar eigen geluid. Behoeden oordopjes mij in mijn tent soms voor teveel stilte, hier beschermen ze me tegen medepelgrims. Dat gaat er niet zachtzinnig aan toe op die Camino. Klank geeft kleur, niet alleen in gesproken woord.

Maar juist in gesproken woord zit de verbinding, want als je contact kunt maken ben je nooit alleen. Met het land, de cultuur en de geschiedenis. Met de ervaringen van andere pelgrims. Met mijn verlangen naar huis. En in het verengelste Fins vind ik mijn metgezel: een dolende ziel op zoek naar betekenis. Als we na een week samen lopen afscheid moeten nemen ga ik verder met het me aangeleerde Finse telrijm: yksi, kaksi, kolme, neljä, viisi, kuusi, seitsemän, kahdeksan, yhdeksän, kymmenen. Ik heb er tot tranen toe verbeten kilometers mee gemaakt over de hoogvlakte. Weer met mezelf, maar toch anders. Nu ik weet dat ik verlaten kan worden, maar niet alleen hoef te zijn.

Op de lange dagen die ik maak zweef ik van de café con leche naar de cola, van bocadillo con queso naar het menú del peregrino. Over stoffige wegen met krakend grind onder mijn schoenen, langs kerken in plaatsjes waar God allang verdwenen is en met klepperende ooievaars ter verwelkoming van weer een pelgrim op zoek naar zichzelf. Maar ben ik er niet al? Begin ik niet al thuis te komen? Net als in elke pelgrimsherberg waar ik gastvrij ontvangen wordt. Aan drukke tafels met geïmproviseerde avondmaaltijden, in het Frans, Engels, Duits en Spaans. Ik zit er middenin, dag na dag. Nacht na nacht.

Met het naderen van het rumoer van de stad weet ook ik dat het einde is gekomen. De zware kerkklokken, het geraas van het zwaaiende wierookvat, de echo’s van vreugde in de straten. Is dit hoe het bereiken van het Heilige doel klinkt? En als ik een paar dagen later het ruisen van de zee hoor ben ik op het keerpunt van mijn reis. De plek van waaruit ik weer een grens over ga, op zoek naar een begin. Met een even bitterzoet afscheid van het vertrouwde als toen ik drie maanden geleden begon. Waar familie, vrienden, collega’s mij soms ook niet lijken te begrijpen. ‘De Camino doet wat met je’. Maar wat doet ‘ie dan? Dat proberen uit te leggen is lastig, want om elkaar te kunnen verstaan is het fijn als je hetzelfde hoort. Dan is het niet alleen de toon die de muziek maakt, ook de muziek moet van betekenis zijn.

Wat ik toen nog niet wist is dat het pelgrimeren mij die betekenis geeft. Dat ik het steeds weer opzoek, die stilte en het alleen zijn, het plannen maken en weer terugkeren. Om vrienden te blijven met mezelf, thuis en onderweg. Want alleen als ik goed ben voor mezelf kan ik goed zijn voor een ander. Dat resoneert, hier hoor ik thuis.


Dit artikel is als inzending voor de schrijfwedstrijd ‘De Klank van de Camino’ van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob opgenomen in het uitgebrachte e-book. Hierin zijn de beste 19 artikelen gebundeld.

Scroll naar boven